|
|
Om de oprichting van fanfare Musis Sacrum in 1874 in het
juiste tijdbeeld te plaatsen is het noodzakelijk een
stuk verder terug te gaan in de tijd en de wortels van
de blaasmuziek, zoals wij die nu kennen, bloot te
leggen.
Tegen het einde van de 18e eeuw raakte de wereld in een
stroomversnelling door een aantal ontwikkelingen, die
het leven van alledag zouden beďnvloeden. De industriële
revolutie stond voor de deur en Europa zat vol
strijdgewoel. Het waren rumoerige tijden vol tumult
waarin de Franse revolutie een soort explosie vormde.
De huurlegers van voorheen werden vervangen door vaste
grote hechte strijdorganisaties en de dienstplicht werd
ingevoerd. Die nieuwe legers moesten een strakke vorm
van discipline hebben, waarbij de militaire muziek als
middel werd gebruikt.
Het muzikaal bezig zijn met wat we tegenwoordig
blaasmuziek noemen, vindt voor een groot gedeelte zijn
oorsprong in de Franse militaire muziek.
Napoleon Bonaparte gaf de militaire muziek een nieuwe
taak, namelijk representatie. Tijdens de grote politieke
manifestaties van toen, traden muziekkorpsen op voor
grote massa's mensen, waarbij men grote waardering
oogstte. Dit kende men voorheen niet en die optredens
drukten dan ook een grote stempel op het
bevattingsvermogen van de gemiddelde burger. Het was een
voorbeeld dat tot navolging prikkelde.
De muzikale uitingsvorm was veel meer openbaar dan de
tot die tijd meestal in kerkelijke kring opererende
Collegia Musica of de Muziek sociëteiten die een erg
besloten karakter hadden en dus maar voor een paar
mensen toegankelijk waren. Napoleon schiep de muziek
voor het volk!
Voor de Franse revolutie kende men ook wel militaire
muziekkorpsen, maar die waren veel kleiner en de taak
van de militaire muzikanten lag veel meer op een ander
gebied, namelijk het geven van signalen, waarschuwingen,
aanvalssignalen, tijdssignalen, kortom: communicatie.
Ook luisterde men militaire evenementen op en spoorde
men aan tot marcheren, omdat nog bijna alles te voet
ging. Napoleon trok voor zijn militaire muziek de beste
muzikanten en dirigenten aan en liet zelfs speciale
muziek schrijven.
De representatieve taak betekende voor zo'n militair
orkest een groeiende bezetting met nieuwe soorten
instrumenten die in die tijd werden ontwikkeld.
De bezetting van zo'n orkest bestond gemiddeld uit zo'n
16 man, waarbij het instrumentarium bestond uit
trompetten, fluiten, hobo's, hoorns, fagotten, trombones
en bashoorn.
Dit instrumentarium was zelfs voorgeschreven, omdat men
goede klankverhoudingen nastreefde. Opvallend is het
ontbreken van het slagwerk, wat zijn oorzaak vond in
Napoleons voorkeur voor de minder luidruchtige
Italiaanse muziek.
Op het slagveld ontbrak het slagwerk evenwel niet. Omdat
Nederland in die tijd gebukt ging onder de Franse
bezetting, maakte men via deze weg ook kennis met deze
militaire orkesten. Elk Frans regiment in Nederland
bezat zo'n orkest, negen in totaal!
Toen Nederland onafhankelijk werd van de Fransen, werden
de muzikale gewoontes van hen overgenomen en kreeg elk
Nederlands regiment haar eigen muziekkorps, waarvan er
in 1818 al 17 waren.
Om zo'n korps van muzikanten en dirigenten te voorzien
was vaak een groot probleem, waarbij men vaak een beroep
deed op buitenlanders, voornamelijk Duitsers, omdat in
Duitsland ook al een grote ontwikkeling in de
blaasmuziek had plaatsgevonden.
Deze Duitsers drukten uiteraard ook een stevige stempel
op onze militaire muziek en men spreekt in die tijd
zelfs van een ware Duitse infiltratie in de Nederlandse
militaire muziek!
Het aantal korpsen groeide gestaag en rond 1830 waren en
zo'n 28. Toen volgde in ongeveer 1831 het noord - zuid
conflict, waarbij België zich losmaakte van Nederland.
Tijdens die controverse was er veel militair vertoon in
Brabant, dus ook muziek. Dit was voor veel mensen reden
om zelf een muziekvereniging op te richten. In 1843
drukten de naweeën van het noord - zuid conflict zo
zwaar op de staatskas, dat de regering besloot om een
groot aantal musici en dirigenten te ontslaan. Die
mensen zochten allemaal werk in de muziek en dit vormde
ook weer een aanleiding om enkele muziekkorpsen op te
richten, onder andere harmonie ‘L'Union’ uit Bladel.
Grotere plaatsen in Brabant hadden al vroeg een burger
muziekvereniging zoals Tilburg en ’s-Hertogenbosch.
Die muziekverenigingen gaven overal uitvoeringen en ook
dit was weer een reden om in diverse plaatsen een eigen
korps op te richten. In onze streek had Eindhoven in
1806 haar eerste muziekvereniging, het zogenaamde
‘Concert’. Men hield wekelijks op donderdagavond een
concert, wat weer leek op een repetitie waarbij slechts
bij hoge uitzondering publiek aanwezig mocht zijn! Dit
Eindhovensch Concert bestond tot 1847 en ging toen op in
de Eindhovense fanfare ‘Apollo’s Lust’.
Gelijkwaardige orkesten bestonden in St. Oedenrode,
Gilze, Oosterhout en Breda. Omdat er in de eerste helft
van de 19e eeuw nog geen bezettingsnormen bestonden voor
harmonie of fanfare, sprak men meestal van
muziekgezelschap. De bezettingsvormen waren dan ook
divers en vaak afhankelijk van wat men voor instrument
meebracht. Zo zaten er vaak snaar- en strijkinstrumenten
in een blaasorkest en het gevolg was dat de gewenste
klankverhoudingen niet werden gehaald. Toen later de
bezettingsnormen werden vastgesteld, kwam hierin veel
verandering. Ook de technische ontwikkelingen van die
tijd hadden een positieve ontwikkeling op de
blaasmuziek.
Eén van die ontwikkelingen, was de uitvinding van de
saxofoon door de Belg Adolphe Sax in 1842. Hij maakte
een groot aantal soorten saxofoons, die samen een grote
aanvulling op klankgebied waren. Ook de uitvinding van
de bastuba door de Pruisische musicus Wieprecht was een
aanwinst voor de blaasmuziek.
In de Peel, onze streek met haar ontoegankelijke venen
en moerassen, duurde het allemaal iets langer. De
barričre, gevormd door die ruige natuur, zorgde er voor
dat er in de eerste helft van de 19e eeuw nagenoeg geen
blaasorkest te vinden was in deze streek. De mensen
werkten hard op hun kleine boerderijen en geld was er
bijna niet, laat staan tijd om muziek te maken. Het was
een armoedig bestaan in de Peel en je zou er ook niet zo
snel een instrument aan de muur vinden. Volgens oude
geschriften had Asten in onze streek de primeur en had
in 1814 al een blaasorkest, terwijl Gemert al in 1848
een blaasorkest had, wat later uitgroeide tot de
Gemertse fanfare ‘Apollo’s Lust’.
Verder is er in onze streek niets bekend van enige vorm
van blaasmuziek tot 1850. Toen werd er in Helmond,
kleine stad aan de rand van de Peel, een
muziekvereniging opgericht, die eerst een zangvereniging
was, later een fanfare en nog later een harmonie en
luisterde naar de kleurrijke naam ‘Phileutonia’.
Dit orkest bestaat nog steeds en was een voorbeeld voor
de streek. ‘Phileutonia’ was een geoefend orkest met erg
veel concerten, serenades en andere muzikale uitingen,
wat een gevolg was van het feit het enige orkest in de
stad te zijn. Dit zou een hele tijd zo blijven. De
streek rond Helmond bleef nagenoeg zonder blaasmuziek
tot 1874.
|